Behangen tips: zo doe je het goed en voorkom je de meeste fouten

file

De belangrijkste tips voor behangen zijn: zorg voor een schone en gladde muur, gebruik de juiste lijm voor je behangsoort, en werk altijd van een rechte referentielijn. Wie die drie dingen goed aanpakt, voorkomt de meeste problemen die beginners tegenkomen. Hieronder vind je alle praktische behangen tips op een rij, van voorbereiding tot afwerking.

Voorbereiding: de basis voor goed behangwerk

Goed behangen begint bij een goede muur. Verwijder eerst oud behang volledig. Restanten lijm of loszittende stukken zorgen later voor bobbels en loslaten. Week oud behang in met warm water (eventueel met een scheutje afwasmiddel) en laat het intrekken voordat je het losschrapt. Een behangafstomer maakt dit werk een stuk sneller.

Controleer daarna de muur op scheuren en ongelijkheid. Kleine gaatjes vul je op met muurvuller en schuur je glad na het drogen. Rauw gips of nieuwe stuclagen zet je eerst vast met een laag muurprimer of verdunde behanglijm. Doe je dit niet, dan zuigt de muur de lijm te snel op en laat het behang los.

Een rechte referentielijn is onmisbaar. Gebruik een waterpas of een schietlood om een verticale lijn op de muur te tekenen. Hoeken zijn zelden recht, dus begin nooit vanuit een hoek zonder deze lijn. Start het liefst naast de meest opvallende muur in de ruimte, zodat eventuele kleine afwijkingen in een hoek verdwijnen.

De juiste lijm kiezen

Niet elke lijm werkt voor elk behang. Papierbehang gebruik je met een standaard behanglijmpoeder dat je aanmengt met water. Vliesbehang plak je anders: de lijm gaat op de muur, niet op het behang. Zwaarder behang, zoals vinyl of textielbehang, vraagt om een sterkere lijm, soms aangevuld met kant-en-klare pasta voor extra hechting.

Lees altijd de verpakking van het behang. Daar staat welke lijmsoort de fabrikant aanraadt. Gebruik je de verkeerde lijm, dan loop je het risico dat het behang te snel droogt, gaat borrelen of na een paar maanden loslaat bij de naden.

Behangen tips voor het inmeten en knippen

Meet de hoogte van de muur op en tel daar minimaal 5 cm bij op, aan de boven- en onderkant samen. Dat geeft je ruimte om bij te sturen en netjes bij te snijden. Heb je behang met een rapport (een terugkerend patroon), dan moet je de stroken op patroon leggen. Reken van tevoren hoeveel verlies dit geeft per strook, zodat je niet met te weinig behang zit.

Nummer elke strook op de achterkant direct nadat je hem knipt. Dat scheelt zoekwerk als je stroken op volgorde wilt ophangen. Controleer ook of alle rollen uit dezelfde productiepartij komen door het partijnummer te vergelijken. Kleurverschillen tussen partijen zijn klein maar zichtbaar na het plakken.

Behangen: zo hang je de stroken op

Smeer papierbehang gelijkmatig in met lijm en vouw het losjes op (inhangen), met de lijmkant naar binnen. Laat het een paar minuten intrekken. De inweektijd staat op de verpakking en verschilt per behangsoort. Sla deze stap niet over: behang dat niet is ingeweekt trekt later krom en geeft naden.

Hang de eerste strook op langs je referentielijn. Werk van boven naar beneden en strijk het behang glad met een behangborstel of behangspatel. Begin in het midden van de strook en werk naar de zijkanten, zodat lucht naar buiten wordt gewerkt. Druk naden voorzichtig aan met een naadroller, maar doe dit niet bij structuurbehang omdat je het reliëf dan platdrukt.

Snij het overschot bovenaan en onderaan bij met een scherp behangmes. Gebruik een afsnijliniaal voor een rechte snede. Wissel je behangmes regelmatig van blad, want een bot mes scheurt het behang in plaats van het te snijden.

Temperatuur en droogomstandigheden

Een kamertemperatuur rond de 20 graden is ideaal voor behangen. Tijdens het drogen is het belangrijk dat de temperatuur zo stabiel mogelijk blijft. Zet ramen en deuren dicht om tocht te vermijden. Tocht droogt het behang aan de randen sneller dan in het midden, waardoor naden openspringen.

Schakel ook de verwarming niet op volle kracht in direct na het behangen. Te snelle droging trekt het behang krom. Ventileer de ruimte liever na 24 uur, als het behang voldoende is aangedroogd.

Veelgemaakte fouten bij behangen (en hoe je ze vermijdt)

  • Muur niet voorbehandeld: rauw gips of oude lijmresten zorgen voor bobbels en loslaten. Altijd primers of muurvast aanbrengen op onbehandeld gips.
  • Te weinig of te veel lijm: te weinig lijm en naden laten los; te veel en lijm sijpelt door het behang heen. Breng een gelijkmatige, niet te dikke laag aan.
  • Geen referentielijn gebruikt: scheef behang valt direct op, zeker bij een ruitpatroon. Altijd een loodrechte lijn trekken voordat je begint.
  • Stroken zonder inweektijd ophangen: bij papierbehang trekt het krom als je het direct ophangt. Wacht de inweektijd af die op de verpakking staat.
  • Bot mesje: een bot behangmes scheurt en trekt het behang mee. Vervang het snijblad elke paar stroken.

Afwerking rond deuren, ramen en hoeken

Hoeken vragen om een iets andere aanpak. Hang de strook zo dat er een kleine overlap de hoek in gaat (1 tot 2 cm). Plak daarna de volgende strook precies op die rand, langs een nieuwe verticale lijn. Zo blijft ook na de hoek alles recht.

Rond stopcontacten en lichtschakelaars knip je kruislings in het midden en plak je de flappen tegen de muur. Draai het afdekplaatje daarna voorzichtig terug. Zet hiervoor altijd de stroom op de betreffende groep uit.

Bij deuren en ramen druk je het behang goed aan in de hoek met de deurpost en knip je het overschot bij met een scherp mes en een liniaal. Werk rustig en knip liever in twee stappen dan te snel te veel weg te halen.

Met een goed voorbereide muur, de juiste lijm en een strakke referentielijn kom je een heel eind. Werk systematisch, van strook tot strook, en laat je niet haasten door de droogtijd. Wie de behangen tips hierboven volgt, legt een nette, strakke baan die jaren meegaat.

Table of Contents

Meer inspiratie: